Stromingen
Rationalisme (1900-1920)
Het rationalisme is een reactie op de neo-stijlen van eind 19e eeuw. Basis voor deze stroming zijn de
denkbeelden van Semper en E.E. Viollet-le-Duc. Uitgangspunt voor de ontwerpen zijn de vanuit
functionele invalshoek ontworpen plattegronden.
Het materiaalgebruik bestaat uit metselwerk, aangevuld met natuursteen, ijzeren constructie-elementen
en betonnen balken. De constructie is zichtbaar. Het dragend karakter van bijvoorbeeld muren en bogen
wordt benadrukt. Regelmaat en eenheid worden belangrijk gevonden.
Architecten:
Hendrik Petrus Berlage en K.P.C. de Bazel (1869-1923).
De Amsterdamse School (1910-1940)
Door Jan Gratama geïntroduceerde term voor de expressionistische stroming die een reactie is op het sobere
Rationalisme. Het plastische gevelbeeld bepaalt het ontwerp. Traditionele materialen als baksteen, dakpannen, riet, en
hout worden toegepast. Er wordt voor de constructie al wel gebruik gemaakt van gewapend beton, maar dit materiaal is
niet zichtbaar. Door deze nieuwe constructie mogelijkheden worden brede horizontale ramen mogelijk. De horizontale lijn
is dan ook een van de belangrijkste kenmerken. De ramen hebben een kleine negge of liggen in het vlak van de gevel. Ook
komt de paraboolvorm regelmatig voor. In de projecten worden vaak beeldhouwwerken van onder andere Van der Eijnde en
Hildo Krop opgenomen. Michel de Klerk wordt als belagrijkste architect van de stroming beschouwd. Mede door zijn vroege
overlijden duurde de bloeiperiode van de Amsterdamse School niet erg lang.
Hoogtepunten van de stroming zijn de woongebouwen "Het Schip" en de "De Dageraad" in Amsterdam voor
woningbouwverenigingen. De jaren er na werden vele duizenden woningen gerealiseerd voor particuliere
opdrachtgevers in Oud Zuid en Plan West (omgeving Mercatorplein). Hier ontwierpen de architecten meestal
alleen de gevels. Behalve in Amsterdam zijn er ook in ondermeer Bergen (NH) en Groningen gebouwen in deze stijl
verrezen.
Wijdeveld besteedde veel aandacht aan de Amsterdamse School in het blad Wendingen, Maandblad voor
Bouwen en Sieren, waarvan hij in de periode 1918-1925 hoofdredacteur was. Een groot aantal Amsterdamse School
architecten startte hun loopbaan bij het bureau van Eduard Cuypers (1859 - 1927).
De architecten van de Amsterdamse School ontwierpen naast gebouwen echter ook meubels, interieurs en
grafische werk, maar schreven niet veel. Mede hierdoor werden ze ook wel als individualistische
kunstenaars gezien.
Architecten:
Michel de Klerk,
Pieter Lodewijk Kramer,
Johan Melchior van der Mey (1878-1949), Cornelis Jonke Blaauw (1885-1947), Margaret Staal-Kropholler (1891-1966), Guillaume Fréderic La Croix
(1877-1923), Hendricus Theodorus Wijdeveld (1885-1987), Siebe Jan Bouma (1899-1959), Jan Boterenbrood (1886-1932), Cornelis Kruyswijk (1884-1935) en
Bernd Tobia Boeyinga.
Lit: De Amsterdamse School - M. Casciato - NAi Uitgevers - 1996 / Amsterdamse School
Erik Mattie - Architectura & Natura Press - 1991
De Stijl (1917-1931)
Kunst en architectuur stroming met een abstracte en geometrische vormgeving. De ontwerpen bestaan uit
een orthogonale ruimtelijke compositie van vlakken en balken. Dit wordt ook wel neo-plasticisme
genoemd. De structuur van de materialen moest niet herkenbaar zijn, dit wordt ook wel dematerialisering genoemd. Het kleurgebruik bestaat uit de primaire kleuren rood, blauw en geel en zwart, wit en grijs. Doelmatigheid stond
centraal, monumentaliteit was niet van belang. Er werden kubistische gebouwen met platte daken
gerealiseerd. De Stijl werd in 1917 opgericht door V. Húsàr, A. Kok en Theo van Doesburg.
De groep architecten en kunstenaars brachtten van 1917 tot en met 1928 het tijdschrift De Stijl uit.
Architecten:
Gerrit Thomas Rietveld,
Jan Wils,
Jacobus Johannes Pieter Oud,
Robert van 't Hoff, Cornelis van Eesteren en
Theo van Doesburg.
Lit: De Stijl 1917-1931 - Carsten-Peter Warncke - Taschen - 1990 / De Stijl - Neo Plasticism in Architecture, Delft University Press, 1983
Functionalisme (1920-1970)
Een zakelijke vormgeving die de functionele elementen van gebouwen benadrukt staat centraal. Het idee van Louis Henry Sullivan (1856-1924) dat de vorm de functie moet volgen werd toegepast. Vanuit het programma werden efficiënte plattegronden ontwikkelt. Er wordt gebruik gemaakt van nieuwe materialen als gewapend beton en staal. Ook worden nieuwe bouwmethoden als montagebouw en standaardisatie toegepast. Het gebruik van overstekken, grote glazen puien en repetitie van elementen zijn kenmerkend voor deze stroming. Er worden voor het eerst grootschalige hoogbouw projecten gerealiseerd.
De architecten van deze stromingen organiseerden zich in het Congrès Internationaux d´Architecture Moderne (CIAM). In Nederland waren de architecten georganiseerd in De 8, Opbouw en Groep 32. Andere namen voor deze stroming zijn de International Style en Het Nieuwe Bouwen.
In de stedenbouw worden de functies wonen, werken en recreatie van elkaar gescheiden. Het dorp Nagele en de wijken Pendrecht, Hoogvliet en Omoord bij Rotterdam en de Bijlmermeer in Amsterdam zijn voorbeelden van moderne, functionalistische wijken.
Internationaal zijn Le Corbusier, Mies van der Rohe, Skidmore Owings & Merrill voorbeelden van functionalistische en moderne architecten. De eerste formuleerde bij de opening van de Weißenhofseidlung in 1927 vijf punten voor moderne gebouwen: 1. Het gebouw op kolommen, 2. Daktuin, 3. Vrije indeelbare plattegrond door een dragend skelet, 4. Lange, horizontale ramen en 5. Vrije indeelbare gevels. Hierbij moet worden opgemerkt dat in Nederland punt 1. vrijwel nooit werd gerealiseerd, de ruimte op de begane grond werd vaak benut voor bergingen.
In navolging van Le Corbusier ontwierpen J.B. van Loghem, Piet Elling en Brinkman en Van Vlugt witte kubistische villa's.
Architecten: Gerrit Thomas Rietveld,
Jacobus Johannes Pieter Oud,
Johannes Duiker,
Cornelis van Eesteren (1897-1988), Jan Lucas (1917-2005), Mart Stam (1899-1986), Ernest F. Groosman (1917-1999), Marius Frans Duintjer (1908-1983), J.P. Kloos (1905-2001), Piet Elling, Ben Merkelbach (1901-1961), Brinkman en Van der Vlugt, Willem van Tijen (1894-1974), Kraaijvanger, Alexander Bodon, Hein Salomonson, Johannes Bernardus van Loghem (1881-1940), Geert Drexhage (1914-1983), Piet Zanstra (1905-2003), Van den Broek en
Hugh Aart Maaskant.
- Woningen, Utrecht
- Nirwâna Flat, Den Haag
- Derde Ambachtsschool, Den Haag
- Sanatorium Zonnestraal, Hilversum
- Van Nelle Fabriek, Rotterdam
- "De Wolkenkrabber", Amsterdam
- Groothandelsgebouw, Rotterdam
- Academie voor Beeldende Kunsten, Arnhem
- Tomado-huis, Dordrecht
- Van Gogh Museum, Amsterdam
- Provinciehuis Noord-Brabant, Den Bosch
- Stadhuis, Almelo
Lit: Functionalisme in Nederland - Erik Mattie - Architectura & Natura - 1995
Traditionalisme (1930-1955)
Ook wel Delftse School genoemd. Stroming die de traditionele plattelandsarchitectuur wil behouden.
Belangrijke kenmerken zijn dan ook het gebruik van baksteen en hellende daken. Vooral door de invloed
van Granpré Molière, die hoogleraar aan de Hogeschool in Delft was, werd dit een belangrijke
stroming. Rijksbouwmeester Friedhof ontwierp een reeks ministeries in traditionele baksteenarchitectuur.
De traditionele architectuur in Scandinavië van Ragnar Östberg (1866-1945) en Asplund gold voor
enkele architecten als voorbeeld. Inspiratiebron was ondermeer het bakstenen stadhuis in Stockholm van de eerste
architect met zijn kenmerkende toren (1911-1923).
Er zijn vooral woningen en kerkgebouwen in deze stijl gerealiseerd. Bijvoorbeeld de nieuwe plaatsen in de Wieringermeerpolder en Noordoostpolder en diverse tuindorpen zijn volgens de ideeën van het traditionalisme gebouwd.
Architecten: Alexander J. Kropholler (1881-1973),
Granpré Molière, P. Verhagen, A.J.Th. Kok, Gijsbert Friedhoff (1892-1970), Ad van der Steur (1893-1953), Johannes F. Berghoef (1903-1994) en J.J.M. Vegter (1906-1982).
De Bossche School (1945 - 1970)
Stroming die ontstaat uit de Delftse School. Centraal figuur in deze stroming is priester en
architect Dom van der Laan (1904-1991), die het Plastisch getal introduceerde.
Deze verhoudingsleer ontwikkelde hij door verheffing van de wiskundige formule van de Gulden Snede tot de derde macht. De
wiskundige formule hiervoor is: Breedte/Lengte = Lengte/Hoogte = Hoogte/(Lengte+Breedte). Dit leidt tot de reeks verhoudingen 1:1, 3:4, 4:7, 3:7, 1:3 en 1:4. De wanddikte is de kleinste eenheid in
deze reeks. Hans van der Laan ontwikkelde een "abacus" en "morphotheek", waarin deze verhoudingen tot
uitdrukking komen. De "abacus" bestaat uit een reeks van 38 staafjes. De "morphotheek" bestaat uit
blokken, staven, platen en blanke vormen.
Belangrijk voor de Bossche School was de 3-jarige Cursus Kerkelijke Architectuur in Den Bosch in
de periode 1946 tot en met 1973. De opleiding is opgericht om architecten te begeleiden bij de
kerkelijke wederopbouw. Nico van der Laan, C. Pouderoyen en Dom Hans van der Laan waren docenten.
Een belangrijk kenmerk is dat de gebouwen sober zijn vormgegeven, waarbij vooral gebruik wordt gemaakt
van beton, baksteen en hout. De gebouwen hebben een orthogonale opzet. De architecten maken gebruik van dikke wanden en
een grote negge. Een reeks kerken, kloosters, woningen en stadhuizen uit de tweede helft van de vorige eeuw in Zuid
Nederland zijn volgens deze stijl gebouwd. Een aantal van de religieuze gebouwen wordt bedreigd met sloop
door teruglopend kerkbezoek. Een hedendaags architect als Han Westelaken is beïnvloed door de Bossche School.
Architecten:
Dom Hans van der Laan,
Jan de Jong,
Nico van der Laan, Evers en Sarlemijn, Gerard Wijnen, Ruys en Bolder, A.J.C. van Beurden
en C. Pouderoyen.
Lit: Plastische Lexicon - Hilde de Haan, Ids Haagsma - Architext - 1996 / Thematismos - Van der Laan Stichting - 2002
Structuralisme (1959-1990)
De groep architecten van deze stroming wordt ook wel de Forum-groep genoemd naar het
gelijknamige tijdschrift. Zij verzetten zich tegen de ideeën van het Nieuwe Bouwen, die
volgens hen resulteren in te eenvormige en te grootschalige, anonieme gebouwen. Ze hebben meer
aandacht voor de maatschappelijke effecten van het ontwerp.
Kenmerken van het structuralisme zijn dat de gebouwen zijn opgebouwd uit een aantal, veelal dezelfde, kleinere eenheden. De kleinste eenheden zijn terug te voeren op de menselijke maat. De gebouwen hebben vaak een opbouw die doet denken aan een soort dorp of kleine stad. De projecten hebben meestal een decentrale opbouw, collectieve ruimtes en meerdere ingangen. De constructie is vaak zichtbaar. De projecten zijn vaak voorbereid op toekomstige uitbreidingen, dit kan door meer dezelfde elementen aan het gebouw te koppelen. De kubusvorm wordt veel gebruikt in het structuralisme. Architecten als Aldo van Eyck en Piet Blom laten zich inspireren door primitieve culturen.
Door de steeds strengere isolatie-eisen in Nederland werd het steeds lastiger gebouwen volgens de
principes van het structuralisme te realiseren. Bovendien vroegen eisen van beveiliging en overzichtelijkheid om een
meer centrale opbouw van gebouwen. De inspringingen met duistere hoeken en de decentrale opzet met meerdere ingangen
die in het structuralisme voorkomen voldeden niet meer.
Architect Hertzberger omschrijft het Structuralisme ruimer: "Structuralisme gaat over het onderscheid
tussen een kader of structuur met een lange levenscyclus en een invulling met een minder lange cyclus".
Twee van de weinig buitenlandse voorbeelden die grote overeenkomsten hebben met het structuralisme zijn het "Habitat"-project (1967) in Montreal van Moshe Safdie en de Nagakin Capsule Tower (1972) van metabolist Kisho Kurokawa. Ook zijn er in Denemarken en Duitsland enkele structuralistische gebouwen gerealiseerd. De stroming heeft overeenkomsten met de ideeën van de Amerikaanse architect Louis I. Kahn, die ook ruimtestructurerende constructies toepast.
Architecten:
Piet Blom,
Aldo van Eyck,
Herman Hertzberger,
Joop van Stigt,
Jan Verhoeven, Wim Davidse en Leo Heijdenrijk.
- De Bastille, Enschede
- Personeelskantine, Enschede
- De Kasbah, Hengelo
- Raadhuis, Ter Aar
- Kubuswoningen (Blaakoverbouwing)
- Burgerweeshuis, Amsterdam
- Ministerie van Buitenlandse Zaken, Den Haag
- Faculteit der Letteren, Leiden
- Centraal Beheer, Apeldoorn
- Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort
- Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Den Haag
Lit: Structuralisme in de Nederlandse architectuur - Wim J. van Heuvel - NAi Uitgevers - 1992 / De Kritiese jaren zeventig, Martien de Vletter - 2004 / Het structuralisme in enkele kantoorgebouwen - kanttekeningen bij twee ministeries
en het PEN-complex - W.J. van Heuvel - Architectuur en Bouwen - 1985-1
Organisch bouwen (1925-heden)
Expressionistische stroming die zich net als het Structuralisme afkeert van het Functionalisme. Basis
van deze stroming is de Jugendstil en de architectuur van de antroposofische beweging. Deze beweging
bouwde onder leiding van Rudolf Steiner (1861-1925) in het Zwitserse Dornach het Goetheanum (1923-1928) met
bijgebouwen.
Eigenschappen van deze stroming zijn een plastische vormgeving, het gebruik van
natuurlijke materialen, zoals baksteen en hout, aan de natuur ontleende vormen, milieubewust bouwen
en integratie met de omgeving. Er wordt onder meer gebruik gemaakt van de Gulden Snede (formule:
Breedte/Lengte=Lengte/(Breedte+Lengte)). De vijfhoek is een veel gebruikte vorm. In de projecten
worden de reeks regenboogkleuren, dus geen zwart, grijs en wit, toegepast. In het ontwerpproces
boetseren sommige architecten, soms met de opdrachtgevers, maquettes van klei.
Hoewel in Nederland vanaf 1925 enkele kleine projecten als woonhuizen zijn gerealiseerd, is de antroposofische stroming
pas goed doorgebroken met een aantal spraakmakende projecten van Alberts en Van Huut.
Een ruimere, niet alleen tot de antroposofische beweging beperkte definitie van de stroming, is een
architectuur die zich laat inspireren door de mens en de levende natuur. Hierbij worden de ontwerpen
van Antoni Gaudi, Imre Makovecz, Gregory Burgess en Bart Prince tot het organisch bouwen gerekend. Dit
geldt ook voor enkele werken van de Modernisten als Le Corbusier, Alvar Aalto, Frank Lloyd Wright en
Hans Scharoun.
Architecten: Alberts en Van Huut, Frits Gerretsen (1899-1974), Chris Wegerif (1898), Henk Hupkes, Atelier Orta en Rau & Partners.
Lit: Organische Architectuur - Pieter van der Lee - Vrij Geestesleven - 2000
High Tech (1970-1990)
Stroming die breekt met de bouwtraditie. Het idee van High Tech is dat de onderdelen van de gebouwen zoveel mogelijk in de fabriek worden geprefabriceerd. De gebouwen zijn vaak totaalkunstwerken waarbij ook meubels en voorzieningen voor de infrastructuur worden ontworpen. De installaties en constructie van de gebouwen worden als een soort ornament of sculptuur aan de buitenzijde geplaatst. Hierdoor krijgen de gebouwen het uiterlijk van een machine. Het argument is dat er binnen een grote flexibele lege ruimte overblijft. De gebruikte materialen zijn vooral staal, RVS, aluminium en glas. In de projecten worden regelmatig in felle kleuren geschilderde tui-constructies, vakwerkliggers, ruimtevakwerken en raatliggers toegepast.
Het Centre Pompidou in Parijs (1977), het kantoorgebouw voor de Lloyds of London (1986) zijn een paar belangrijke gebouwen die gerealiseerd zijn in deze stijl. De stroming is van oorsprong vooral Brits met architecten als Nicholas Grimshaw, Norman Foster, Richard Rogers en Michael Hopkins. Er worden vooral high-tech kantoorgebouwen en industriegebouwen gebouwd.
In Nederland zijn er vooral high-tech stations en industriehallen gerealiseerd. Er zijn nauwelijks zuivere voorbeelden van deze stroming te vinden. De gebouwen zijn over het algemeen meer ingetogener dan het werk van de collega's in Groot-Brittanië. Zo zijn in de ontwerpen van OD 205, Cepezed en Benthem Crouwel de installaties geïntegreerd in het bouwvolume. Deze architectenbureaus werken vooral aan utilitaire projecten. Cepezed houdt zich onder meer bezig met prefabricage en productontwikkeling. Zwarts en Jansma realiseert veel stadions. Benthem Crouwel ontwerpt veel infrastructuurprojecten, waaronder projecten voor Schiphol en de vier grootste stations in Nederland. Jan Brouwer ontwerpt meer expressieve high-tech gebouwen met tui-constructies in felle kleuren.
High-Tech heeft in Nederland geen grote stroom aan gebouwen opgeleverd. Een reden kan zijn dat er, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de vliegtuigindustrie geen noodzaak is om hele lichte constructies te realiseren. Een ander nadeel van de complex ogende gebouwen is de onderhoudsgevoeligheid door de uitwendige constructie- en installatie-onderdelen.
Bovendien werd door de steeds strengere isolatie-eisen in Nederland het steeds lastiger gebouwen volgens de pure principes
van high-tech te realiseren.
Architecten:
Benthem en Crouwel,
Cepezed,
Zwarts en Jansma, Jan Brouwer, Hans van Heeswijk, OD 205, H.C.H Reijnders en P.A.M. Kilsdonk.
Lit: High Technology - De Archineering van het (ge)bouwproduct - Jan Westra - De Architect 1987-6 / High Tech Architecture - Colin Davis - Thames & Hudson - 1988
Neorationalisme (1975-1990)
Geometrische vormen spelen een hoofdrol in deze stroming. Architecten streven net als bij het
rationalisme uit het begin van de 20e eeuw naar een logische en objectieve benadering van het
programma van eisen. De stroming zet zich af tegen de kleinschaligheid van het structuralisme en het
organisch bouwen. Door Carel Weeber werd dit "nieuwe truttigheid" genoemd. Grootschalige gesloten
bouwblokken zijn kenmerkend voor de rationele stedenbouwkundige plannen. Deze worden geplaatst op
geometrische patronen als grids. Een voorbeeld is het stedenbouwkundig plan voor de Venserpolder door Weeber.
Er wordt in de gebouwen veel gebruik gemaakt van prefab gevelpanelen met een bekleding met tegels. Deze
zijn vooral door Weeber veelvuldig toegepast. Deze panelen werden door de Franse architect Emile Aillaud
ontwikkeld voor sociale woningbouw in de voorsteden van Parijs.
De stroming is gebaseerd op het 19e eeuwse rationalisme van Jean Nicolas Louïs Durand (1760-1834), waarin de
plattegrond de basis is voor architectuur en stedenbouw.
In Italië is deze stroming bekend onder de term Tendenza met de bekende architecten Aldo Rossi,
Vittorio Gregotti en Giorgio Grassi.
Architecten:
Carel Weeber,
Cees Dam,
Abe Bonnema (1926-2001),
Jan Hoogstad en
Wim G. Quist.
Postmodernisme (1980-heden)
Een reactie op het modernisme, waarbij de nadruk ligt op de verschijningsvorm. De (klassieke)
geschiedenis wordt herontdekt als inspiratiebron voor de architectuur. Een kenmerk is dan ook het
gebruik van klassieke elementen, vaak in combinatie met moderne elementen als vliesgevels. De
klassieke elementen als gevellijsten, kapitelen en zuilen worden vaak gerealiseerd in prefab beton.
Er worden veel postmoderne musea gebouwd. De term postmodernisme is afkomstig van de
Franse filosoof Jacques Derrida (1930-2004). Het boek Learning from Las Vegas (1972) van Robert Venturi
en Denise Scott Brown speelde een belangrijke rol in de ideeën over het Postmodernisme.
Belangrijke buitenlandse architecten zijn Robert Venturi, Charles Moore, Robert Stern, James Stirling,
Ricardo Bofill, Adolfo Natalini, Aldo Rossi, Robert Krier, Michael Graves en Charles Vandenhove. Door
de VINEX-wijken Brandevoort bij Helmond en de Haverleij bij Den Bosch is deze stroming in Nederland
nog steeds actueel. Deze recente projecten worden door sommigen bij een nieuwe stroming ondergebracht, het
"Nieuw Traditionalisme".
Architecten: Soeters van Eldonk Ponec, Molenaar van Winden en Arn. Meijs.
Lit: The Language of Postmodern Architecture - Charles Jencks - Academy Editions - 1977/91
Deconstructivisme (1988-2000)
Kenmerken van deze stroming zijn chaotische en gefragmenteerde gebouwen die schots en scheef staan. De
ruimtelijk complexe ontwerpen hebben een divers materiaal en kleurgebruik. In het buitenland zijn de
belangrijkste architecten Peter Eisenman, Frank Owen Gehry, Coop Himmelb(l)au, Morphosis, Daniel
Libeskind, Bernard Tschumi en Zaha Hadid. Enkele architecten laten zich inspireren door het Russische
Constructivisme (Leonidov, Melnikov) uit het begin van de twintigste eeuw. De term deconstructivisme
is afkomstig van de Franse filosoof Jacques Derrida (1930-2004). Deze stroming is in Nederland
nauwelijks vertegenwoordigd.
Architecten: UN Studio,
Office for Metropolitan Architecture en
Koen van Velsen.
Lit: Deconstructivisme - Probleem of plezier - de lancering van een nieuwe stroming in Londen - Eric Bolle - De Architect 1987-6 / Deconstruction in Architecture - Charles Jencks - Architectural Design - 1989 / Deconstructivist architecture - Philip Johnson - Mark Wigley - Museum of Modern Art - 1988 / Deconstruction - Andreas Papodakis eo - Academy Editions - 1989 / Deconstructivisme is onzin - architectuur als kat-en-muis spel met realiteit - Tom Maas - Architectuur en Bouwen - 1989-3
Neomodernisme (1994-2005)
Stroming die gebruik maakt van dezelfde vormtaal als de moderne stromingen van het begin van de
twintigste eeuw: De Stijl en het Functionalisme. De vorm van het gebouw is belangrijk in deze
stroming. Het materiaal- en kleurgebruik is echter veelzijdiger. In tegenstelling tot het modernisme
wordt er wel regelmatig gebruik gemaakt van baksteen. Het zogenaamde de-materialiseren wordt minder toegepast,
de structuur van materialen mag weer zichtbaar zijn. Typische materialen van de moderne beweging als
glazen bouwstenen en stucwerk worden weer gebruikt. Het stucwerk verschijnt niet alleen in het wit, maar ook
in pasteltinten. In Nederland is deze stroming goed vertegenwoordigd.
Architecten:
Jo Coenen,
Mecanoo,
Claus en Kaan,
Duinker Van der Torre en DKV.
- Jongerenhuisvesting Kruisplein, Rotterdam
- Hillekop, Rotterdam
- Restaurant Boompjes, Rotterdam
- Nederlands Architectuur Instituut
- Kantoorgebouw KvK en Sint Servatius, Maastricht
- Executive Tower Parkhotel, Rotterdam
- Woongebouw, Maastricht
- Openbare Bibliotheek, Almelo
- Isala College, Silvolde
- Kantoren, woningen en politiebureau, Rotterdam
- Cultureel centrum en theater De Vest, Alkmaar
- Toneelschuur, Haarlem
- Stadsschouwburg De Harmonie, Leeuwarden
- Montevideo, Rotterdam
Supermodernisme (1995-heden)
Vervolg van modernistische stromingen als het functionalisme. De neutrale gebouwen die behoren tot deze stroming hebben vaak minimalistische rechthoekige vormen. De gebouwen hebben een gladde huid met een transparante (klimaat)gevel of een semi-transparante doorschijnende gevel. In deze stroming speelt de 24-uurs economie en globalisering een grote rol. De nadruk ligt dan ook op "niet-plaatsen" als luchthavens, hotels en winkelcentra en is minder gericht op woningbouw. Supermodernisme is in feite een soort perfectionering van het modernisme. Soms is dit zelfs letterlijk het geval, functionalistische kantoorgebouwen krijgen een nieuwer eigentijdser uiterlijk.
De stroming is geïntroduceerd door architectuurpublicist Hans Ibelings, die de term overnam van antropoloog Marc Augé. Belangrijke internationale architecten zijn Norman Foster, Dominique Perrault, Herzog & de Meuron en Jean Nouvel.
Architecten: Office for Metropolitan Architecture,
Benthem Crouwel,
Meyer en Van Schooten,
MVRDV,
UN Studio en
Claus en Kaan.
- Bibliotheek Technische Universiteit Delft
- Loempiasnackbar, Groningen
- Villa VPRO, Hilversum
- Woongebouw BO5, Amsterdam
- Project Beekpark, Apeldoorn
- 6 woongebouwen Monnikenhuizen, Arnhem
- ING House, Amsterdam
- Kerk, Hilversum
- Ministerie van VROM, Den Haag
- Nederlandse Film en Televisie Academie, Amsterdam
- Nederlands Forensisch Instituut, Den Haag
- Educatorium Universiteit Utrecht
- Opslagloods afvalverwerking Elhorst-Vloedbelt
- Politiebureau, Boxtel
- Stadhuis, Alphen aan den Rijn
- Verzamelgebouw Céramique, Maastricht
- Schiphol Plaza, Amsterdam
- De Effenaar, Eindhoven
- verbouwing Winkelcentrum De Vlinder, Emmen
- Torens E en H Walterboscomplex, Apeldoorn
- Westraven, Utrecht
Lit: Supermodernisme - Hans Ibelings - NAi Uitgevers - 1998
|